no2hormonedisruptingchemicals.org
EN - ES - DE - FR - SV - NL - DA

HUN VRAGEN, ONZE ANTWOORDEN

Mogelijkheden om hormoonverstorende eigenschappen te bepalen

De beleidsopties die de Commissie geeft om hormoonverstorende stoffen (endocrine disrupting chemicals - EDCs) te reguleren bestaan uit vier verschillende mogelijkheden voor wat betreft de criteria om te bepalen welke chemicaliën hormoonverstorende eigenschappen hebben. Hierna volgt een reactie op elke optie.

OPTIE 1: De tussentijdse criteria worden behouden.

Info Dit komt overeen met de vragen 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3 van de publieke raadpleging van de EU

Er zijn drie technische vragen voor optie 1, waar wij aanraden om ‘nee’ op te antwoorden. Als u uitzonderlijk ‘ja’ wilt antwoorden, gelieve dan de website van de Europese Commissie te gebruiken om uw antwoorden op de raadpleging rechtstreeks in te geven. 

  • Nee, ik heb geen evaluatie gemaakt noch heb ik weet van een beoordeling van stoffen die volgens optie 1 als hormoonverstorende chemicaliën geïdentificeerd zouden worden.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de vervangbaarheid van de geïdentificeerde stoffen.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de socio-economische impact als de geïdentificeerde stoffen zonder verdere risico-evaluatie zouden worden gereglementeerd.

Deze optie houdt in dat een aantal hormoonverstorende stoffen  onopgemerkt zullen blijven.

Ik ga niet akkoord met optie 1. 

Bij optie 1 blijven de tijdelijke criteria die werden vastgelegd in de Verordeningen betreffende gewasbeschermingssmiddelen (PPPR) en biocideproducten (BPR), van toepassing. Dat zijn de enige wetten in de EU die stellen dat, als een stof een hormoonverstorende chemische stof (of een endocrine disrupting chemical of kortweg EDC) is, ze geen toelating zal krijgen om in de EU gebruikt te worden.

Maar alle EDC’s moeten geïdentificeerd worden, niet alleen als ze in pesticiden of biociden gebruikt worden, maar ook als ze voorkomen in cosmetica, voedselverpakkingen of speelgoed. 

Daarom zijn criteria voor het wetenschappelijk identificeren van EDC’s nodig voor andere EU-wetten evenals voor andere toepassingen en optie 1 zal die niet leveren.

Bovendien zal optie 1 de mensen niet beschermen omdat de huidige tijdelijke criteria EDC’s over het hoofd kunnen zien die geen kanker veroorzaken of de voortplanting schaden, maar die wel de hersenen of de stofwisseling aantasten en die zo kunnen bijdragen aan geestesstoornissen, diabetes of obesitas.

Dit komt overeen met Vraag 2.1.4 in de publieke raadpleging van de EU

OPTIE 2: De definitie van de World Health Organization International Programme on Chemical Safety (WHO/IPCS) gebruiken om hormoonverstorende chemicaliën te identificeren (risico-identificatie)

Info Dit komt overeen met de vragen 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 van de publieke raadpleging van de EU

Er zijn drie technische vragen voor optie 2, waar wij aanraden om ‘nee’ op te antwoorden. Als u uitzonderlijk ‘ja’ wilt antwoorden, gelieve dan de website van de Europese Commissie te gebruiken om uw antwoorden op de raadpleging rechtstreeks in te geven.

  • Nee, ik heb geen evaluatie gemaakt noch heb ik weet van een beoordeling van stoffen die volgens optie 2 als hormoonverstorende chemicaliën geïdentificeerd zouden worden.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de vervangbaarheid van de geïdentificeerde stoffen.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de socio-economische impact als de geïdentificeerde stoffen zonder verdere risico-evaluatie zouden worden gereglementeerd.

Deze optie zal “potentiële hormoonverstorende stoffen (EDC’s)” buiten beschouwing laten.

Ik ga niet akkoord met optie 2.

Bij optie 2 zal de definitie van het World Health Organization International Programme on Chemical Safety (WHO/IPCS) om bevestigde EDC’s te identificeren van toepassing zijn. Maar optie 2 laat dat deel van de definitie van de WHO dat gaat over “potentiële EDC’s” buiten beschouwing. Enkel de definitie voor bevestigde EDC’s gebruiken is een zwart/wit-benadering die het volledig en efficiënt rekening houden met de huidige wetenschappelijke kennis belemmert. Deze ingekorte definitie zou ook alle chemicaliën uitsluiten die nog verder onderzocht moeten worden om uit te maken of ze al dan niet EDC’s zijn.

De pesticide- en biocidewetten van de EU willen bevestigde én verdachte EDC’s verbieden, aangezien de wetteksten spreken van ‘mogelijk schadelijke effecten kunnen veroorzaken’. Dus hebben we een definitie nodig die niet enkel voor “bevestigde EDC’s” geldt.

Het belangrijkste wetenschappelijk rapport wereldwijd over de “State of the science of EDCs 2012” van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het United Nations Environment Programme (UNEP) stelt heel duidelijk dat hormoonverstorende stoffen een bedreiging vormen voor de gezondheid van de mens en van ecosystemen over de hele wereld. Daarom moeten we een onderscheid kunnen maken tussen bevestigde en potentiële verstoorders en de potentiële kunnen opsporen tot meer bewijsmateriaal hun ‘potentiele’ status kan bevestigen of ontkennen.

Dit komt overeen met vraag 2.2.4 van de publieke raadpleging van de EU

OPTIE 3: De WHO/IPCS-definitie gebruiken om hormoonverstorende chemicaliën te identificeren en categorieën te bepalen op basis van de kracht van bewijsmateriaal

Info Dit komt overeen met de vragen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van de publieke raadpleging van de EU

Er zijn drie technische vragen voor optie 3, waar wij aanraden om ‘nee’ op te antwoorden. Als u uitzonderlijk ‘ja’ wilt antwoorden, gelieve dan de website van de Europese Commissie te gebruiken om uw antwoorden op de raadpleging rechtstreeks in te geven.

  • Nee, ik heb geen evaluatie gemaakt noch heb ik weet van een beoordeling van stoffen die, bovenop die welke volgens optie 2 geïdentificeerd werden, volgens optie 3 als verdachte hormoonverstoorders of hormonaal actieve stoffen geïdentificeerd zouden worden.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de vervangbaarheid van de geïdentificeerde stoffen.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de socio-economische impact als de geïdentificeerde stoffen zonder verdere risico-evaluatie zouden worden gereglementeerd.

De beste optie om de volksgezondheid te beschermen.

Optie 3 zou een goede stap voorwaarts betekenen.

Bij optie 3 zal de definitie van het WHO/IPCS om EDC’s te identificeren van toepassing zijn, met drie toegevoegde categorieën (bevestigde; verdachte; potentiële EDC’s). Deze classificering is heel transparant en geeft de verschillende niveaus van beschikbaar wetenschappelijk bewijsmateriaal weer. Deze optie kan gebruikt worden om een bepaalde chemische stof correct te classificeren. Dit maakt het nemen van proportionele maatregelen mogelijk. We moeten er echter wel op wijzen dat de definitie van de WHO een wetenschappelijke werkdefinitie en geen wettelijke definitie is. Wettekst zoals die in Verordening 1107/2009 spreekt van pesticiden met hormoonverstorende eigenschappen die “mogelijk schadelijke effecten kunnen veroorzaken”.

Deze optie is coherent met actuele methoden om andere chemicaliën, zoals kankerverwekkende chemicaliën, te classificeren. Het vergemakkelijkt ook het reguleren van die chemicaliën volgens de verschillende wetten die hun diverse toepassingen (in cosmetica, pesticiden, materialen die met voeding in contact komen enz.) regelen.

De eerste twee categorieën (bevestigd; verdacht) zouden gebruikt moeten worden voor de regulering. De derde categorie (potentieel) is belangrijk om de industrie bij te sturen opdat ze meer informatie over de potentieel schadelijke eigenschappen zou gaan verzamelen. Die bijkomende informatie zal helpen om chemicaliën uit die categorie te laten wegvallen of ze te upgraden.

Dit proces van chemicaliën classificeren kan enkel een succes worden als de criteria om hormooneffecten te evalueren op een strikt wetenschappelijke manier toegepast worden. In gereglementeerde evaluaties vandaag de dag zijn er te veel gevallen waarbij bezorgdheid aangaande een stof afgezwakt wordt op grond van twijfel over de “relevantie voor de mens”, maar zonder enige geldige wetenschappelijke rechtvaardiging.

De mensheid staat voor een toename van het aantal aan hormoongerelateerde ziekten, dus moet de Europese Commissie een systeem opzetten dat ervoor zorgt dat onze blootstelling aan hormoonverstoorders vermindert om zo die ziekten te helpen voorkomen. Het gebruik van categorieën is een vernuftig, maar sterk en noodzakelijk onderdeel van zulk een systeem.

This corresponds to Question 2.3.4 in the EU public consultation

OPTIE 4: De WHO/IPCS-definitie gebruiken om hormoonverstoorders te identificeren en de potentiële kracht mee incalculeren.

Info Dit komt overeen met de vragen 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 van de publieke raadpleging van de EU

Er zijn drie technische vragen voor optie 4, waar wij aanraden om ‘nee’ op te antwoorden. Als u uitzonderlijk ‘ja’ wilt antwoorden, gelieve dan de website van de Europese Commissie te gebruiken om uw antwoorden op de raadpleging rechtstreeks in te geven.

  • Nee, ik heb geen evaluatie gemaakt noch heb ik weet van een beoordeling van stoffen die volgens optie 4 als hormoonverstoorders geïdentificeerd zouden worden.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de vervangbaarheid van de geïdentificeerde stoffen.
  • Nee, ik heb geen weet van enige evaluatie(s) van de socio-economische impact als de geïdentificeerde stoffen zonder verdere risico-evaluatie zouden worden gereglementeerd.

In geen geval. Slechtste optie.

Ik ga niet akkoord met optie 4.

Bij optie 4 zal de WHO/IPCS-definitie om EDC’s te identificeren van toepassing zijn, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen “sterke” en “ minder sterke” hormoonverstorende stoffen. Dit voorstel is niet wetenschappelijk onderbouwd en is tegengesteld aan het beleidsadvies dat de Europese Commissie kreeg in rapporten van het Joint Research Centre (JRC) en het Europees Agentschap voor de Voedselveiligheid (EFSA). Deze optie geniet wel de voorkeur van chemische en pesticideproducenten, die willen dat er zo weinig mogelijk chemicaliën van de markt geweerd worden. De EDC-identificatie moet alle en niet sommige hormoonverstorende chemicaliën identificeren die onze gezondheid schaden.

Dit onderscheid tussen sterk en zwak  wordt ook niet gemaakt om chemicaliën te identificeren die kanker veroorzaken of de voortplanting schaden.

Een hormoonverstorende stof kan verschillende hormonale processen in het lichaam op uiteenlopende wijze beïnvloeden. Zo kan bijvoorbeeld een EDC zwak inwerken op hormonale signalen bij vrouwen, maar een bepaald aspect van de hersenontwikkeling wel ernstig verstoren. Veel dieren worden eveneens blootgesteld, maar EDC’s kunnen in verschillende diersoorten uiteenlopende effecten hebben. Daardoor zou het kunnen dat bepaalde chemicaliën onterecht buiten schot blijven als er afgegaan wordt op selectieve potentietests

Bovendien zullen testdieren in industriële protocolstudies vaak onrealistisch hoge doses van de te onderzoeken chemische stof toegediend krijgen en niet getest worden op het effect van vele kleine doses. Omdat de effecten van vele kleine doses niet op een goede manier onderzocht worden en de effecten waarnaar gezocht wordt niet noodzakelijk de meest ingrijpende zijn, is het risico reëel dat zelfs behoorlijk krachtige chemicaliën bij de tests niet opgemerkt worden.

Verder is het ook zo dat zelfs extreem kleine hoeveelheden van “zwakke” EDC’s tijdens de meest kwetsbare periodes, zoals de ontwikkeling in de baarmoeder, kunnen leiden tot gezondheidsproblemen, vooral in latere stadia van het leven.

Mensen en dieren worden ook blootgesteld aan vele EDC’s van verschillende bronnen tegelijkertijd en dit gespreid over langere tijd, en de wetenschap heeft aangetoond dat EDC’s die samen inwerken tot schadelijke cocktaileffecten kunnen leiden. “Zwakke” EDC’s niet identificeren zou belemmerend kunnen werken op elke poging om gezondheidsrisico’s aan te pakken die voortvloeien uit de cumulatieve blootstelling aan die EDC’s.

Dat alles in acht genomen, is optie 4 absoluut ongeschikt als identificatiecriterium omdat het ertoe zou leiden dat EDC’s die de menselijke gezondheid kunnen aantasten, niet geïdentificeerd of ingeperkt worden.

Dit komt overeen met vraag 2.4.4 van de publieke raadpleging van de EU

Mogelijke manieren om wetgevende beslissingen aan te pakken

Moeten democratisch overeengekomen wetten gewijzigd worden?

De EDC beleidsopties schetsen drie verschillende mogelijke manieren om wetgevende beslissingen aan te pakken. Optie A (geen wijzigingen van de bestaande beschikkingen in de BPR en de PPPR), Optie B (introductie van bijkomende elementen voor risico-beoordeling) waar nodig en wenselijk om potentiële socio-economische effecten te verminderen en Optie C (introductie van bijkomende socio-economische beschouwingen) waar nodig en wenselijk om nadelige socio-economische effecten te voorkomen.

Info Dit komt overeen met de vragen 3.1 en 3.2 van de publieke raadpleging van de EU


Er zijn 2 technische vragen voor deze Sectie, waar wij aanraden om 'nee' op te antwoorden. Als u uitzonderlijk 'ja' wilt antwoorden, gelieve dan de website van de Commissie te gebruiken om uw antwoorden op de raadpleging rechtstreeks in te geven.

  • Nee, ik heb geen evaluatie gemaakt noch heb ik weet van een beoordeling die eender welke van de 3 verschillende mogelijke manieren om regulerende beslissingen aan te pakken (optie A-C) toepast op stoffen die als hormoonverstoorders geïdentificeerd worden door eender welke van de opties om criteria te bepalen (optie 1-4).
  • Nee, ik heb geen evaluatie gemaakt noch heb ik weet van een beoordeling van de socio-economische impact van de 3 verschillende mogelijke manieren om regulerende beslissingen aan te pakken (optie A-C) voor stoffen die als hormoonverstoorders geïdentificeerd worden door eender welke van de opties om criteria te bepalen (optie 1-4).

Indien het  format van de raadpleging die mogelijkheid had geboden, zou ik mij geschaard hebben achter Optie A – geen veranderingen in de regelgeving.

Wat moet er verder nog gedaan worden?

De oplossing in een notendop

De enige oplossing is sterke regelgeving, bestaande EU-wetten toepassen en verbeteren en nieuwe wetten invoeren om onze blootstellingen terug te dringen. Criteria die alle EDC's identificeren zonder een verschil te maken tussen sterke en minder sterke EDC’s, zullen de EU in staat stellen om lange termijn schade aan gezondheid en milieu aan te pakken.

EDC's bedreigen de huidige en toekomstige volksgezondheid in onze maatschappij. Europa zou het voortouw moeten nemen in het reguleren van EDC's, mede omdat dit innovatie zal stimuleren en alle industrieën zo veiligere alternatieven gaan ontwikkelen en gebruiken. Zo kan de Europese industrie haar aandeel in de groeiende wereldmarkt voor veiligere producten veilig stellen en tot een duurzamere productie en landbouw overgaan.
 

Ik vind dat deze publieke raadpleging niet echt voor het publiek is

De raadpleging gaat vooral over zorgen die het bedrijfsleven zich maakt en niet over belangrijke vragen voor burgers, de maatschappij en bedrijven die alternatieven voor de EDC's zoeken. Bijv: Welke voordelen zal strenger toezicht op EDC's opleveren? Hoeveel zullen we besparen door middel van verlaagde gezondheidskosten? Welke zakelijke kansen zijn er voor innovatieve oplossingen?
 

Ik vind dat de micro- en macro-economische, sociale en ecologische voordelen van verminderde blootstelling aan EDC's in impact assessments opgenomen moeten worden

De volgende rapporten en studies probeerden de voordelen van strenger toezicht op EDC's en verminderde menselijke blootstelling in te schatten. Deze zouden in de impact assessments van de Commissie opgenomen moeten worden:

 

Ik denk dat regulerende optie A, geen veranderingen aan de wet, de beste manier is om verder te gaan

Ik ben tegen opties B en C, die veranderingen aan de EU-wetten voorstellen. Ze zijn onaanvaardbaar omdat ze de in 2009 door Europese parlementariërs en nationale regeringen democratisch vastgelegde pesticidewet van de EU zouden ondermijnen.

De pesticide- en biocidewetten van de EU bevatten al bepalingen over vrijstellingen, dus zullen veranderingen niet nodig of nuttig zijn.
 

Ik vind dat beleidsmakers van bestaand wetenschappelijk bewijs moeten uitgaan

Wetenschappers uitten al hun zorgen over EDC's omdat die waarschijnlijk bijdragen aan de toename van ernstige ziekten en gezondheidsproblemen, zoals voortplantings- en vruchtbaarheidsproblemen, borst-, prostaat- en teelbalkanker, problemen met de hersenontwikkeling en het zenuwstelsel, en diabetes en obesitas.

Recente biologische monitoringstudies uit heel Europa hebben aangetoond dat mensen doorgaans meerdere chemicaliën in hun lichaam hebben. Speciale aandacht moet gaan naar het terugdringen van blootstelling vóór en tijdens de zwangerschap, in de vroege kinderjaren en in de puberteit.

Veel mensen komen dagelijks in contact met EDC's, o.a. via consumptiegoederen, de lucht binnenskamers, water, voedsel of de werkplek. Dieren in het wild hebben ook te leiden van hormoonverstoorders en er zijn meldingen van aan EDC's gelinkte voortplantings- en groeistoornissen bij veel soorten, inclusief vissen, vogels, otters en zelfs ijsberen.

De volgende studie licht de hoeveelheden van bepaalde chemicaliën in urine en haar toe, gevonden bij kinderen en hun moeders.

Dit komt overeen met vraag 4.1 – Verstrek alle mogelijke andere gegevens of informatie die de Commissie zouden kunnen helpen om haar impact assessments uit te voeren in de publieke raadpleging van de EU

Bijkomende informatie

 

De campagne van EDC-Free Europe


Nuttige linken

 

Andere manieren om actie te ondernemen!